vrijdag 29 juni 2012

De Gaai

Gaai
Onze achtertuin is het woongebied van een stel hangjongeren, ofwel tussen de tien en twintig mussen, die dagelijks luid kwetterend aanwezig zijn. Meestal krijgen ze van ons een boterham. Leuk om te zien hoe de kleintjes door de ouderen gevoerd worden. Regelmatig komen dan de Eksters langs, die dan in één keer de meeste stukjes brood weten te bemachtigen. Maar zo heel af en toe weet de Gaai ook onze tuin te vinden. De kunst is dan om hem op de foto te krijgen. Een vluchtige beweging naar de camera is al genoeg om snel weg te wezen.
Gaai
 Vandaag lukte het om hem stiekem op de foto te zetten. Een mooie gekleurde vogel.
Gaai
De Gaai, ook wel Vlaamse Gaai genoemd, komt voor in het cultuurland en de bossen. Hij is over heel Europa verspreid met uitzondering van het hoge noorden. In nieuwbouwwijken zie je in eerste instantie vaak de ekster, naarmate de bomen en struiken in het openbaar groen en in tuinen groter worden, wordt deze langzaamaan verdrongen door de gaai.

Voedsel vindt de gaai in bomen en struiken, in de lucht en op de grond; het betreft een breed spectrum van dierlijk en plantaardig dieet: insecten en ongewervelden (waaronder veel plaagdieren), eikels, beukennootjes, hazelnoten en andere zaden en noten, vruchten als bramen, frambozen en lijsterbessen. Ook kleine of jonge zangvogels en eieren behoren tot het dieet, evenals kleine knaagdieren. Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen en doorwoelt hij bodem, dierenpoep en menselijk afval.
De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel 'de grootste bosbouwer' genoemd. De Duitse naam voor de gaai (Eichelhäher) typeert het gedrag.
Kenmerken. 34 cm.  Verenkleed voornamelijk licht kaneelkleurig-roodbruin, met oprichtbare zwart en wit gestreepte kruinveren, zwarte mondstreep, blauw en zwart gebandeerde vleugeldekveren, witte keel, witte vlek op gesloten vleugels, en witte stuit en anaalstreek scherp contrasterend met donkere staart. Vliegt ’moeizaam’, springt vaak van tak tot tak.
Geluid. Indien opgeschrikt, een luid en schor ’skraaawk’; verder verschillende klikkende, miauwende en klokkende geluiden. Bron: Wikipedia

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen